Deel 3/3: Een wetenschappelijke kijk op alternatieve therapieën voor spruw bij borstvoeding

Welkom op onze driedelige blog over de behandeling van spruw bij borstvoeding. In deze reeks gaan we in op verschillende aspecten: de differentiaaldiagnose van spruw, de evidence-based behandeling van spruw en eventuele alternatieve therapieën. In deze blog, bespreken we deel drie: Een wetenschappelijke kijk op alternatieve therapieën voor spruw bij borstvoeding

Wat is spruw?

Spruw is een veelvoorkomende schimmelinfectie, veroorzaakt door Candida albicans, die zowel bij de  moeder  als  bij  de  zuigeling  kan optreden. Candida albicans is een commensaal en dus sowieso aanwezig op de huid en in de omgeving. Deze schimmel ontwikkelt zich vooral goed in vochtige en warme lichaamszones, zoals in de mond of op de tepel. In sommige omstandigheden zorgt dit voor een infectie. Bij pijnlijke of beschadigde tepels zijn moeders hier meer vatbaar voor, maar ook het veelvuldige gebruik van antibiotica stimuleert de groei. Spruw wordt conventioneel behandeld met antifungale geneesmiddel. Lees daarover meer in deel 2. Vaak worden echter vragen gesteld over alternatieve therapieën. Om hier een evidence-based antwoord op te kunnen formuleren, doken we in de literatuur.

Kokosolie

Kokosolie is een tropische olie die wordt verkregen door persen of extractie van kopra, het gedroogde witte vruchtvlees van de kokosnoot. Ongeharde en ongeraffineerde (“vierge”) kokosolie heeft een smeltpunt van rond de 24-26 °C. Zuivere kokosolie is kleurloos of in vaste vorm wit. Een bruinachtige kleur kan ontstaan als er iets van de bruine bast in de olie terecht is gekomen of door rook, als gevolg van het droogproces[1].

De effectiviteit van kokosolie jegens schimmels werd in twee in vitro studies vergeleken met fluconazol en ketoconazol. In vitro bleek kokosolie een iets lagere effectiviteit te hebben dan de referentiemiddelen. Het verschil was echter niet significant [2,3]. De verklaring voor de werking kan teruggevonden worden in de samenstelling van kokosolie. Kokosolie bevat vele middellangeketen vetzuren, waaronder ongeveer 50% laurinezuur. Laurinezuur verstoort de membraanfunctie van pathogene micro-organismen door te interfereren met de overdracht van voedingsstoffen en signaaltransductie[1,2]. Er zijn bij de applicatie van kokosolie geen bijwerkingen te verwachten.

Besluit: Gezien de onduidelijkheid omtrent de genezingsgraad (enkel in vitro studies) is het gebruik van kokosolie geen eerste keuze middel. Doordat het echter geen bijwerkingen kent, zou het in aanmerking kunnen komen indien de moeder niet open staat voor het gebruik van conventionele therapieën.

Gentiaanviolet

Eén van de eerste therapieën die aangewend werd ter behandeling van spruw was gentiaanviolet (methylrosaniline chloride). Men gebruikte deze chemisch aangemaakte kleurstof voor het inkleuren van bacteriën. Zo werden ze identificeerbaar onder de microscoop. De kleur lijkt op die van gentiaanbloemen – vandaar de naam -, maar is er niet van afkomstig, ook niet in het verleden[4,5].

Gentiaanviolet is matig actief tegen spruw. De minimaal inhiberende concentratie van gentiaanviolet voor C. albicans bedraagt 10 µg/mL, wat overeenstemt met een concentratie van 0.001%. In de uitzonderlijke gevallen waar gentiaanviolet nog opgenomen is in de richtlijn, bedraagt de aanbevolen concentratie echter vaak tussen de 0.5 en 1%. Het kent een iets hogere klinische effectiviteit dan nystatine, 65% vs ±50%, maar een significant veel lagere dan miconazol (± 90%)[4–7].

De lagere genezingsgraad is echter niet de belangrijkste reden waarom gentiaanviolet geen eerste keuze middel is. De voornaamste reden zit hem in het negatieve bijwerkingenprofiel. Gentiaanviolet irriteert de mucosa en geeft ulceraties (aften). Ook veroorzaakt het smaakverstoringen, zelfs bij concentraties <0.01%. Het verkleurt de epitheliale cellen van zowel de borst als de mond, wat interfereert met de visuele klinische evaluatie van de aandoening en het ontstaan van ulceraties maskeert. Meerdere studies suggereren bovendien een mutagene en carcinogene werking. Dit leidde er toe dat het gebruik van gentiaanviolet in Canada gecontra-indiceerd werd voor het gebruik bij spruw tijdens de borstvoeding [4,8,9].

Besluit: Gezien de lage genezingsgraad en het hoge risico op bijwerkingen is gentiaanviolet geen eerste keuze middel ter behandeling van spruw.

Essentiële oliën

Essentiële oliën zijn componenten die geëxtraheerd worden uit planten. Ze worden verkregen via distillatie (stoom of water) of via mechanische methodes zoals koude pressing. Na extractie worden de chemicaliën gecombineerd met een ‘dragende olie’ zodat ze klaar zijn voor gebruik. Wanneer de olie via chemische processen gemaakt werd, worden ze niet beschouwd als werkelijke essentiële oliën[10].

Er zijn enkele kleine in vitro studies beschikbaar waarin men vaststelt dat de groei van Candida species afgeremd wordt door sommige essentiële oliën. De oliën die in vitro de hoogste werkzaamheid tegen Candida species vertonen zijn de essentiële oliën van kaneel, limoengras, Japanse munt, Geranium, Motiarosha, Cymbopogon martinii (Gembergras), en Baccharis Dracunculiolia (Groene propolis). Over de werking in vivo (zij het topisch of oraal), mogelijke bijwerkingen of overdracht naar de zuigeling bestaan geen gegevens. Bovendien moet men er rekening mee houden dat essentiële oliën een zeer krachtige geur en smaak afgeven. Dat maakt ze sowieso minder geschikt voor topische applicatie op de tepel waar de zuigeling aanhapt[10,11].

Besluit: Gezien de onduidelijkheid omtrent de in vivo werking of de mogelijke aanwezigheid van bijwerkingen, raden we het gebruik van essentiële oliën niet aan voor de behandeling van spruw bij zuigelingen die borstvoeding krijgen.

Extract van pompelmoeszaden (Grapefruit Seed Extract – GSE)

Het extract van pompelmoeszaad lijkt een volkomen veilig en natuurlijk supplement, maar is dat niet altijd. Hoewel het mogelijk is om een eenvoudige alcohol-extract te maken, wordt in de praktijk meestal pompelmoeszaad en pulppoeder vermengd met glycerine. Dit wordt opgewarmd met ammoniumchloride en vitamine C. Zoutzuur en natuurlijke enzymen worden toegevoegd en het eindproduct wordt gekoeld en verkocht als commercieel extract van pompelmoeszaden[12–14].

Enkele kleine in vitro studies geven aan dat GSE tot celdood bij Candida-species kan leiden en candida-biofilms oplossen. Echter, niet alle onderzoek ondersteunt de claim dat GSE antifungale werking heeft. Het zou evengoed kunnen dat de aanwezigheid van bijvoorbeeld benzalkoniumchloride in sommige GSE-preparaten de werking veroorzaakt. Er is momenteel nog geen enkele in vivo studie die de werking van GSE bij spruw tijdens de borstvoeding onderzocht.

Besluit: Gezien de onduidelijkheid omtrent de in vivo werking of de mogelijke aanwezigheid van bijwerkingen, raden we het gebruik van GSE niet aan voor de behandeling van spruw bij zuigelingen die borstvoeding krijgen.

Referenties

1            Mardia Mohamad Nasir MMN, Abllah Z, Azura Jalaludin A, et al. Virgin Coconut Oil and Its Antimicrobial Properties against Pathogenic Microorganisms: A Review. Atlantis Press 2018. doi:10.2991/idcsu-17.2018.51

2            Ogbolu DO, Oni AA, Daini OA, et al. In Vitro Antimicrobial Properties of Coconut Oil on Candida Species in Ibadan, Nigeria. J Med Food 2007;10:384–7. doi:10.1089/jmf.2006.1209

3            Shino B, Peedikayil FC, Jaiprakash SR, et al. Comparison of Antimicrobial Activity of Chlorhexidine, Coconut Oil, Probiotics, and Ketoconazole on Candida albicans Isolated in Children with Early Childhood Caries: An In Vitro Study. Published Online First: 2016. doi:10.1155/2016/7061587

4            Hoppe JE. Treatment of oropharyngeal candidiasis and candidal diaper dermatitis in neonates and infants: review and reappraisal. Pediatr Infect Dis J 1997;16:885–94.

5            Canadian paediatric society. Antifungal agents for common paediatric infections. Paediatr Child Health 2007;5:477–82. doi:10.1093/pch/5.8.477

6            Lyu X, Zhao C, Hua H, et al. Efficacy of nystatin for the treatment of oral candidiasis: a systematic review and meta-analysis. Drug Des Devel Ther 2016;10:1161. doi:10.2147/DDDT.S100795

7            Kozinn P, Taschdjian C, Dragutsky D, et al. Therapy of oral thrush: a comparative evaluation of gentian violet, mycostatin and amphotericin B.

8            Health Canada warns Canadians of potential cancer risk associated with gentian violet - Recalls and safety alerts. http://healthycanadians.gc.ca/recall-alert-rappel-avis/hc-sc/2019/70179a-eng.php (accessed 1 Oct 2019).

9            Jurevic RJ, Traboulsi RS, Mukherjee PK, et al. Identification of gentian violet concentration that does not stain oral mucosa, possesses anti-candidal activity and is well tolerated. Eur J Clin Microbiol Infect Dis 2011;30:629–33. doi:10.1007/s10096-010-1131-8

10         Devkatte AN, Zore GB, Karuppayil SM. Potential of plant oils as inhibitors of Candida albicans growth. FEMS Yeast Res 2005;5:867–73. doi:10.1016/j.femsyr.2005.02.003

11         Pereira CA, da Costa ACBP, Machado AKS, et al. Enzymatic Activity, Sensitivity to Antifungal Drugs and Baccharis dracunculifolia Essential Oil by Candida Strains Isolated from the Oral Cavities of Breastfeeding Infants and in Their Mothers’ Mouths and Nipples. Mycopathologia 2011;171:103–9. doi:10.1007/s11046-010-9353-y

12         Cao S, Xu W, Zhang N, et al. A mitochondria-dependent pathway mediates the apoptosis of gse-induced yeast. PLoS One 2012;7. doi:10.1371/journal.pone.0032943

13         Tsutsumi-Arai C, Takakusaki K, Arai Y, et al. Grapefruit seed extract effectively inhibits the Candida albicans biofilms development on polymethyl methacrylate denture-base resin. PLoS One 2019;14. doi:10.1371/journal.pone.0217496

14         Reagor L, Gusman J, McCoy L, et al. The effectiveness of processed grapefruit-seed extract as an antibacterial agent: I. An in vitro agar assay. J Altern Complement Med 2002;8:325–32. doi:10.1089/10755530260128014

15         Samaranayake LP, MacFarlane TW. The effect of dietary carbohydrates on the in-vitro adhesion of Candida albicans to epithelial cells. J Med Microbiol 1982;15:511–7. doi:10.1099/00222615-15-4-511